27 mei 2015 - Monique Kuipers

Het Cascademodel: vloek of zegen?

Binnenkort verschijnt er weer een nieuwe Onderwijs in Kaart (OiK). Deze uitgave lees ik altijd met veel interesse, benieuwd naar de nieuwste ontwikkelingen en prikkelende informatie. In mijn rol als regioadviseur kan ik aan de slag met informatie rondom belangrijke landelijke ontwikkelingen, de nieuwe ‘harde’ cijfers op het gebied van de instroom en uitstroom bij opleidingen en de werkgelegenheidsontwikkeling op verschillende niveaus. Ook worden in deze editie de uitkomsten van Transvorm’s onderzoek naar de scholing van de gewenste competenties van toekomstige zorgmedewerkers op een rij gezet.

Terwijl ik mee lees met mijn over de vele ontwikkelingen schrijvende collega’s, wordt duidelijk dat deze op verschillende niveaus (op landelijk, regionaal of organisatieniveau, maar ook op strategisch, tactisch of operationeel niveau) plaatsvinden. Enerzijds parallel, maar tegelijkertijd ook door elkaar heen. Hierdoor is wel een behoorlijk onoverzichtelijke warboel van initiatieven ontstaan, die elkaar soms behoorlijk kunnen tegen werken. Een voorbeeld om dit uit te leggen:

Het Cascademodel

Met de invoering van het Cascademodel is de financiering voor opleidingsinstituten voor zowel de BOL als BBL studenten behoorlijk gewijzigd. Doel van dit model is om de rijksmiddelen voor het mbo voor de betrokken instellingen te verbeteren. Aan de andere kant hoopt men dat met het verkorten van mbo-leerroutes wordt bevorderd dat studenten zoveel mogelijk meteen op het juiste niveau en in de juiste leerweg worden ingeschreven. Het doel is de studenten een zo efficiënt mogelijke leerroute (ook richting het hbo) te bieden en op het hoogst haalbare niveau uit te laten stromen.

Klinkt in eerste instantie best aardig en vooruitstrevend. Maar als je er op een andere manier naar kijkt: als een student al een opleiding heeft gevolgd, maar zich wil verbreden op hetzelfde niveau of door wil stromen naar een hoger niveau, genereert dit behoorlijk wat minder inkomsten voor de school. Aan de ene kant kunnen we zeggen: dat is een probleem voor school. Maar nu blijkt dat dit op korte termijn wel degelijk behoorlijke gevolgen kan hebben voor zorgorganisaties, bijvoorbeeld bij de werving en selectie van BBL-studenten. Want wat blijkt: sommige scholen (met veel BBL-studenten) zijn nu genoodzaakt dit verlies aan inkomsten door te berekenen naar de student zelf als extra opleidingskosten (tot wel 15.000 euro!). In het geval van de BBL-student geldt dit als extra opleidingskosten voor de werkgever.

Aangescherpte selectie

Zorgorganisaties geven nu aan hiermee serieus te overwegen de selectie te verscherpen naar bijvoorbeeld studenten met een afgeronde MMZ-opleiding. Waar dit voorheen een aantrekkelijke kandidaat zou zijn geweest voor de opleiding verpleegkunde, is dat nu financieel gezien een stuk minder aantrekkelijk.

En dat is nu dus het frustrerende van elkaar tegensprekende landelijke ontwikkelingen: aan de ene kant wil de overheid door de inzet van de sectorplangelden mensen behouden voor de sector en motiveren om  door te leren naar een hoger of breder inzetbaar niveau. Tegelijkertijd wordt dit ontmoedigd door het Cascademodel. Hoe bedenken ze het? Wordt er onderling tussen de ministeries niet gepraat of gaan ze er maar vanuit dat dit wel los zal lopen?

En nu?

Helaas kunnen wij hier in de Onderwijs in Kaart geen direct antwoord op geven. Maar hopelijk kunnen we, in nauwe afstemming met werkgevers en onderwijs, wel de gevolgen van dit soort ongewenste ontwikkelingen door laten klinken bij de ministeries. Deze uitdaging wil Transvorm zeker aan gaan. Wie doet er mee?