Home » Actueel » Blog » Blog

Gewoon wat meer werken deel 2: feit en fictie

26 november 2018
Martin van Berloo / Beleidsmedewerker Strategische Analyse

Als vervolg op mijn blog ‘Gewoon wat meer werken’ van begin oktober probeer ik feit en fictie te scheiden. Is meer werken een oplossing voor de personele problemen in zorg en welzijn?

Deeltijdfeiten

Ik begin met wat feiten. Uit het rapport ‘Het potentieel pakken’ blijkt dat:

  • in Nederland zowel mannen als vrouwen veel vaker in deeltijd werken dan andere West-Europeanen.
  • bijna de helft van de Nederlandse werkzame beroepsbevolking een deeltijdbaan heeft van minder dan 35 uur per week.
  • bij de werkende vrouwen maar liefst 74 procent een deeltijdbaan heeft. Dit betreft zowel 'kleine' als 'grote' deeltijdbanen: 26 procent van de werkende vrouwen heeft een baan van minder dan 20 uur per week, 25 procent van 20 tot 28 uur per week en 23 procent van 28 tot 35 uur per week.  
  • de Nederlandse vrouwelijke beroepsbevolking een gemiddelde werkweek van 27 uur heeft.

Deeltijd in zorg en welzijn

Om een beeld te schetsen van deeltijdwerk in zorg en welzijn kunnen we putten uit onze eigen cijfers. Op ons arbeidsmarktdashboard Arbeidsmarkt in Beeld kunt u de parttime-factor binnen de sector in onze provincie vinden. Brabantbrede cijfers, maar u kunt ook branches en regio’s met elkaar vergelijken. Ook in de onlangs verschenen Arbeidsmarkt in Kaart geven we meer informatie met betrekking tot deeltijdwerk. Hieruit blijkt dat zorg- en welzijnsmedewerkers in Noord-Brabant in 2017 gemiddeld 23,6 uur per week werkten. We zien hier een lichte stijging; in 2013 werkten zij gemiddeld nog 23,4 uur per week. Uit voorlopige cijfers van 2018 blijkt dat deze stijging doorzet.

Willen mensen meer werken?

Rekenmodellen laten zien dat het ophogen van bestaande deeltijdcontracten de tekorten grotendeels op kunnen lossen. Maar dit soort rekenkundige exercities stellen niet de vraag of  mensen wel meer wíllen werken? En zo ja… #hoedan?

Gezien het stijgende deeltijdpercentage zou je kunnen concluderen dat medewerkers best meer willen werken. Maar die stijging kan ook bedriegende schijn zijn omdat hierin het uitbetaalde overwerk is meegerekend. Vanwege de personele tekorten van de laatste jaren is het niet ondenkbaar dat er substantieel overwerk is geleverd. Dat is immers het geluid van de werkvloer; de werkdruk is hoog, onder andere vanwege het vele overwerk. We weten niet precies hoe groot het aandeel overwerk in deze cijfers is. Maar als het ophogen van een contract niet verder gaat dan het ‘formaliseren’ van structureel overgewerkte uren lost dit geen personeelstekort op.

Bovendien kun je ook veronderstellen dat met de groeiende deeltijdfactor de rek uit de groeimogelijkheden is. Het zou zomaar kunnen dat de mensen die graag meer wilden werken dit inmiddels al doen. Wat overblijft is misschien wel de groep medewerkers die moeilijker te bewegen is tot meer werken.

Geef ze geld!

Dus hoe kun je hen verleiden? Vaak wordt geld als belangrijk smeermiddel genoemd, geld als stimulans om meer te werken. Maak bijvoorbeeld fulltime werken aantrekkelijker of deeltijdwerk onaantrekkelijker. Op Radio 1 hoorde ik een discussie waarin deeltijdwerk een ‘ziekte van de samenleving’ werd genoemd. En die ziekte zou te genezen zijn door meer werken financieel aantrekkelijker te maken.

Ik denk daar heel anders over. Volgens mij is geld geen zwaarwegend argument is om mensen te bewegen meer te gaan werken. Natuurlijk vind ik dat er een goed salaris moet zijn en dat het wel wat hoger mag, zeker voor de laagste kwalificatieniveaus. Maar het cliché zegt dat mensen in de zorg het beroep in eerste instantie niet voor het salaris hebben gekozen. En clichés bestaan nu eenmaal alleen maar omdat ze een grote waarheid bevatten. Mijn mening wordt versterkt door onlangs verschenen onderzoeken van AZW en PFZW over de redenen waarom medewerkers uit zorg en welzijn ontslag nemen. Daarbij valt op dat geld niet onder de belangrijkste redenen voor vertrek valt.

Ik sluit veel meer aan bij de redenatie van Rosanne Hertzberger in het artikel ‘Niks koopkracht, dit land snakt vooral naar tijd'. Zij stelt dat mensen (en zeker de werknemers in de publieke sector) vooral behoefte hebben aan meer tijd, in plaats van meer geld.

Geef ze vrijheid!

Ik denk dat het veel meer gaat over het organiseren van het extra werk. De werkdruk in de sector is hoog. Daarbij heeft een groot aandeel medewerkers de zorg voor de kinderen of zijn ze mantelzorger. Onregelmatig werken kan dan een grote belasting zijn, zeker in combinatie met ‘opgeknipte’ diensten. Mensen willen niet meer werken als dit hun werk-privébalans nog verder verstoort. Dus als je aan iemand die gemiddeld 4 keer per week 5 uur werkt vraagt of die 5 keer per week 5 uur wil werken dan zul je hoogstwaarschijnlijk bedrogen uitkomen. Maar vraag je aan dezelfde persoon vraagt of die 4 keer per week 6 uur wil komen werken dan acht ik de kans op een positief antwoord groter.

Personeel centraal

De laatste jaren staat de cliënt centraal. En zo hoort het ook. Maar de cliënt kan pas centraal staan als er voldoende personeel is. Daaraan ontbreekt het de laatste jaren en bovendien is het einde van de tekorten nog lang niet in zicht. Zorg- en welzijnsorganisaties doen er dus goed aan om ook het personeel centraal te stellen. Gelukkig hoor ik dat ook steeds vaker terug in gesprekken met HR-medewerkers. Men realiseert zich dat een traditionele benadering van personeel niet meer voldoet. Om mensen binnen te halen, binnen te houden en optimaal gebruik te maken van het potentieel (waaronder grotere arbeidscontracten) is een andere mindset nodig. Het personeel centraal stellen betekent breken met procedures, afspraken, gewoontes, tradities. Creatieve en onorthodoxe maatregelen waarbij medewerkers vrijheid en regelruimte hebben zijn hard nodig. Voor velen waarschijnlijk doodeng, maar wel nodig. Zeker in de huidige arbeidsmarkt waarbij niet de werkgevers maar de werknemers de touwtjes in handen hebben.