10 maart 2021 - Martin van Berloo

Het grote, maar weinig concrete zorgdebat 2021

De verkiezingen zijn aanstaande en uiteraard is de gezondheidszorg een belangrijk thema. Daarom keek ik uit naar Het Grote Zorgdebat van afgelopen maandag. Aan de hand van vier stellingen presenteerden verschillende partijen hun visie op grote vraagstukken binnen de gezondheidszorg.

Althans, dat was de bedoeling. Of het gelukt is, leest u hieronder. Let op: ik geef u mijn persoonlijke observaties en geen letterlijke weergave of samenvatting van het debat. Wilt u het zorgdebat terug zien? Dat kan hier (wel even scrollen naar het begin op 31 minuten).

Bent u op zoek naar meer objectieve nabeschouwingen? Die zijn te vinden op bijvoorbeeld Skipr en Medisch Contact.

Preventie

De eerste stelling ging over preventie. Alle deelnemende partijen stemden vóór de stelling dat 10 procent van het totale zorgbudget moet worden gereserveerd voor preventie.

Appeltje, eitje, zou je zeggen. Er komt meer aandacht voor preventie! Dat wil ik wel geloven, maar ik ben wel benieuwd hoe dat er dan gaat uitzien? Want dat werd niet echt duidelijk in de teleurstellende inhoudelijke discussie. Ik vroeg me af of alle deelnemers wel precies wisten wat preventie eigenlijk is? En of ze weten dat er verschillende vormen van preventie zijn?

Volgens mij moet het bij preventie toch vooral gaan om het voorkómen van gezondheidsproblemen, ziektes of ongevallen. Primaire preventie dus. Terwijl het debat nauwelijks daarover ging, de voorbeelden en voornemens lagen veel meer op het vlak van secundaire en tertiaire preventie. Natuurlijk, ook belangrijk. Maar ben je dan niet te laat?

Digitale zorg

In het debat over digitale zorg bleek iedereen vóór (het intensiveren van) digitale zorg. Ook bleken er brede bezwaren tegen het verplicht stellen van digitale zorg. Ik denk dat een scherpere definitie van digitale zorg de discussie goed had gedaan. Nu ging het vooral over het digitale contact, de digitale communicatie tussen zorgvrager en -verlener. Ik ging me zelfs afvragen of de deelnemers wel een goed beeld hadden van welke vormen van digitale zorg er allemaal zijn en wat het kan opleveren? De voorbeelden die werden genoemd, vond ik in ieder geval niet erg goed gekozen.

Overheidsregie

Tijdens de eerste twee stellingen werd er dus al behoorlijk hoog over gevlogen en in het debat over overheidsregie schoot men nog verder de lucht in. De partijstokpaardjes werden van stal gehaald en de algemeenheden vlogen over tafel. Oplossingen worden bijvoorbeeld gezocht in domeinoverstijgend werken (maar dan wél binnen kaders en voorwaarden), gezondheidswinst valt vooral in de wijk te behalen (maar ouderenzorg moeten we wel centraal organiseren). Daarnaast meer ruimte voor zorgprofessionals, meer regionale samenwerking, meer op lokaal niveau organiseren, van zorg naar gezondheid, enzovoort.

Er valt weinig op af te dingen. Maar de vraag ‘hoe dan?’ drong zich steeds meer op, zonder dat daarover werd doorgesproken. Ook bleek nergens waarom juist deze dingen dan zo belangrijk zijn. Voor welke probleem zijn ze precies de oplossing? Zeker gezien er eigenlijk helemaal niets nieuws gezegd werd. Sterker nog, ik hoorde dingen die ook werden gezegd bij de hervormingen van het zorgstelstel in 2015. Wat is er dan precies mis gegaan? En waarom zou een herhaling van zetten nu ineens een ander resultaat geven? Ik had het graag gehoord.

En ook jammer dat de relatie met de eerste twee stellingen niet gelegd werd. Kansen voor een open goal zou ik zeggen. Maar helaas. Niets over bijvoorbeeld de rol van de overheid bij de digitale infrastructuur; de inrichting, de voorwaarden, de uitvoering of wat dan ook. 

Arbeidsmarkt

In het laatste discussie zou het gaan over de arbeidsmarkt. U begrijpt, ik zat met gespitste oren voor de laptop. Welke oplossingen zien de partijen voor het toenemende tekort aan zorgpersoneel? Helaas kreeg ik geen antwoord. De stelling ‘De groei van het maximaal aantal mensen dat werkt in de zorg is bereikt’ werd nauwelijks behandeld.

Ook hier bewandelde men dezelfde platgetreden paden als bij de vorige stelling. In plaats van praten over de (toekomstige) beschikbaarheid van personeel schakelde men snel over op het afschaffen van bureaucratie en verminderen van administratieve lasten. Uiteraard was men het daarover roerend eens, het moet maar eens afgelopen zijn!

Gelukkig leek men wel te snappen dat dit onderwerp al enige tijd op de agenda staat. Maar zouden ze ook weten dat dit onderwerp inmiddels al een koperen jubileum heeft gevierd? En gelukkig had men ook wel in de gaten dat er al van alles geprobeerd is. Maar waarom dit dan niet werkt? En hoe men het dan wél voor elkaar krijgt? Op die vragen kwam nog geen begin van een antwoord.

Résume

Bovenstaande wekt misschien de indruk dat het een slecht debat was. Maar dat bedoel ik niet te zeggen. Maar ik vond het wel jammer dat het te oppervlakkig bleef. Dat er stokpaardjes werden bereden die nauwelijks iets met de stellingen te maken hadden. En dat de kennis op bepaalde vlakken toch wel erg onder de maat (b)leek.

Misschien ben ik nog steeds naïef, maar ik vond het een gemiste kans. Want alle partijen blijken wel vóór verandering te zijn. Maar hóe gaan ze dingen écht veranderen? Het bleek nergens uit.

De olifant in de kamer

Waarvan ik ook veel last had, was de olifant in de kamer: de financiën. Hoe worden plannen gefinancierd, waar haal je het geld vandaan? Hoe kijken de partijen aan tegen de zorgkosten? Vinden ze de zorg te duur en durven ze daarom keuzes te maken? Durven ze geen keuzes te maken en laten ze daardoor ongewild de kosten oplopen? Of vinden ze dat de zorg best geld mag kosten en laten ze de kosten bewust oplopen?

#hoedan

Nee, het was geen slecht debat. En zoals ik al vaak geschreven heb: het gaat om complexe problemen waarvoor geen eenvoudige oplossingen zijn. Maar toch… iets meer aandacht voor het hóe van veranderingen en iets van inzicht in de financiering van de plannen (en de financiering van de zorg in het algemeen) had het debat veel meer diepgang gegeven.