02 april 2014 - Martin van Berloo

Eigen verantwoordelijkheid krijgen, lust of last?

Ik kwam terecht op een GGZ-afdeling waar men een begin maakte met het werken volgens de ‘Rehabilitatie-benadering’. Centraal stond het aansluiten bij de wensen en de behoeften van de patiënt (zo noemden we hen toen nog) en het terug geven van verantwoordelijkheid. Patiënten moesten hun eigen keuzes kunnen maken binnen een zo normaal mogelijk sociaal kader. Als verpleegkundige moest ik de patiënten zoveel mogelijk ondersteunen en zo min mogelijk overnemen.

Dat lijken vrij logische uitgangspunten maar dat waren het destijds binnen de GGZ, en zeker op die specifieke afdeling, bepaald niet. Om een voorbeeldje te geven; alle patiënten dronken koffie met melk en suiker omdat de koffie werd geserveerd in koffiekannen waaraan al melk en suiker was toegevoegd. Ook in een basaal iets als ‘wat eet ik vandaag’ hadden patiënten geen enkele keuze. Het warme eten kwam vanuit de centrale keuken warm op de afdeling, in grote opdienschalen en iedereen at hetzelfde.

Het werken volgens de Rehabilitatie benadering verliep dan ook niet zonder problemen en was bepaald niet succesvol. Wat we ermee beoogden gebeurde niet en het duurde een tijdje voor we de oorzaken daarvan in beeld hadden.

In eerste instantie dachten we dat het aan de patiënten lag. Op onze afdeling verbleven mensen langdurig en ze kampten zonder uitzondering met zeer ernstige psychiatrische problematiek. De meesten waren daardoor helemaal niet in staat hun wensen te formuleren en om verantwoordelijkheid te nemen voor hun doen en laten. En al waren ze hiertoe wel in staat geweest dan had het merendeel er helemaal geen behoefte aan. Ze hadden er tenslotte ook niet om gevraagd, wij hulpverleners hadden besloten dat ze hier behoefte aan hadden. Veel patiënten stelden dan ook alles in het werk om vooral niet verantwoordelijk te hoeven zijn voor hun doen en laten. Zij vonden het prima zoals het altijd gegaan was, de veranderingen waren eng en leverden hen juist de stress op die ze jarenlang hadden vermeden. Heel gechargeerd kwam het er op neer dat de ‘goede’ patiënten ‘beter’ werden en de ‘slechte slechter’. Waarbij de ‘slechte’ veruit in de meerderheid waren.

Het duurde best wel een tijdje voordat we in de gaten kregen (of durfden toe te geven?) dat het ook aan onszelf lag. We worstelden enorm met nieuwe benaderingswijze. Dat had overigens niets te maken met functies, iedereen had er moeite mee, van huishoudelijke hulp tot psychiater. We waren gewend om dingen over te nemen en ‘te zorgen voor’ en we voelden ons daar comfortabel bij. Uitgaan van de wensen van de patiënten en hen eigen verantwoordelijkheid geven bleek ook voor ons lastig en bedreigend.

We gingen inzien dat we mensen wel verantwoordelijk stelden voor de keuzes die ze maakten maar dat we hen eigenlijk niet in staat stelden die verantwoordelijkheid te nemen. Zo waren we destijds nog van mening dat het samenleven in een groep alleen mogelijk was als er strikte groeps- en huisregel waren die door iedereen moesten worden nageleefd. Uitzonderingen kwamen zelden voor en als er al uitzonderingen waren dan waren dat vooral sancties en strafmaatregelen. Het belonen van gewenst gedrag kwam in feite nauwelijks voor. Ook het feit dat de afdeling gesloten was en de meeste patiënten gedwongen waren opgenomen botste dagelijks met de uitgangspunten van de nieuwe benadering. De patiënten beschikten daarmee nauwelijks over eigen regelruimte en beschikten al helemaal niet over de taken, bevoegdheden en financiën die met de nieuwe verantwoordelijkheid verbonden waren.

Waar we beschamend laat achter kwamen was dat voor een aantal hulpverleners het teruggeven van verantwoordelijkheid aan de patiënt synoniem leek te staan aan het loslaten van de verantwoordelijkheid van de hulpverlener. En dat principe leek dan vooral op te treden bij de ‘lastige’ patiënten. Ze moesten hun problemen ineens maar zelf op lossen en als dat niet lukte was het ‘eigen schuld, dikke bult’. En als ze zichzelf in de problemen brachten dan ‘hadden ze dat toch zelf gewild’. Ook dit fenomeen bleek niet gebonden aan functies!

Bovenstaande lijkt me meer dan voldoende inleiding om terug te komen op mijn eerste alinea. Ik moet er de laatste tijd zo vaak aan denken omdat ik veel overeenkomsten zie met de huidige ontwikkelingen binnen Zorg en Welzijn, het proces van transitie.

Als ik in mijn verhaal de term patiënt vervang door burger c.q. cliënt (waarbij ik me ook steeds afvraag of daar straks nog wel verschil tussen is) en de term hulpverlener vervang door overheid dan zie ik soortgelijke processen. De cliënten moeten ineens een hele hoop dingen zelf doen die eerst door hulpverleners werden gedaan. Als cliënt wordt je ook gedwongen om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen ziekte. Of je dat wilt of niet, en of je dat nu kunt of niet is helemaal geen issue. Daarbij zie ik, net als in mijn verhaal, dat mensen wel allerlei verantwoordelijkheden krijgen toegeschoven maar dat de bijbehorende regelruimte, taken, bevoegdheden en financiën helemaal niet bij hen terecht komen.

Ik vrees daarom dat deze transitie positief zal uitpakken voor slechts een beperkt aantal mensen en negatief voor heel veel mensen. Ook hier zullen de ‘goede beter worden en de slechte slechter’.

Ik hoop daarom dat de overheid heel snel gaat beseffen dat het uit handen geven van verantwoordelijkheid iets anders is dan problemen over de schutting gooien of verantwoordelijkheden op het bordje van iemand anders leggen. Met het geven van verantwoordelijkheid aan burgers, c.q. cliënten c.q. mantelzorgers en vrijwilligers wordt de verantwoordelijkheid van de overheid niet kléiner maar juist gróter. Natuurlijk verschuift die verantwoordelijkheid naar andere vlakken en moet die op een andere manier vorm krijgen maar hij wordt absoluut niet kleiner. En mocht de overheid dit onverhoopt al beseffen dan hoop ik dat zij haar beleid heel snel op dit besef aanpast.